David en Goliat

Hij is wel wat gewend, dat herdersjong

dat leeuw en beer zag

azen op zijn schapen.

Met stok en slinger als ultieme wapen

was het, Goddank, dat hij de dans ontsprong.

 

Zijn volk wordt door de vijand uitgedaagd

om zich te meten

met de reuze-sterken,

zelfingenomen aan hun wereld werkend,

niet wetend dat hun trots wordt weggevaagd.

 

De jongen draagt met moed zijn steentje bij

en zal de steen des

aanstoots doen verdwijnen.

Hij weet: “Mijn schild beschermt mij en de mijnen;

de herder waakt, de redding is nabij.”

 

Dan wordt de daad ferm bij het woord gevoegd,

zonder genade;

naar de Filistijnen

met wie de spot drijft met vermeende kleinen.

Wie hoort, heeft niet op harde grond geploegd.

 

Janssien Deijl