Gedicht: Noach

Ik draag je op een ruime ark te bouwen,
want ik verdraag mijn evenbeeld niet meer;
ontaard, verworden in mijn tegenbeeld.
Zijn recht op leven is nu wel verspeeld.
De wereld moet – het zal mij niet berouwen –
met man en muis geheel ten onder gaan.

Ik draag je op jouw vlees en bloed te redden,
want slecht gedrag is niet je metgezel.
Met jou sluit ik een eindeloos verbond:
een nieuwe aarde met een vaste grond,
een nieuwe mens, veel dieren, plantenbedden.
Zij zullen vruchtbaar in het leven staan.

Ik draag je op mijn schepselen, de dieren,
te redden van een onverbiddelijk eind,
en twee aan twee, vanwege nageslacht,
te bergen in jouw hoog zeewaardig jacht:
de leeuw, het lam, twee meeuwen en twee mieren.
Ik sluit de deur; de regen komt er aan.

God laat zijn water veertig dagen stromen
over zijn akker, en zijn boosheid spoelt
het onrecht weg. De aarde, leeg, valt droog.
Hij kleurt het teken van de regenboog
dat zijn verbond fraai aan het licht laat komen:
een nieuw begin, een eeuwigheid te gaan.

 

Janssien Deijl

De barmhartige Samaritaan

“Wie is mijn naaste”, vraagt de wetgeleerde

uitdagend naar de welbekende weg.

Hij volgt de reiziger en peilt diens pech:

beroofd en bruut voor dood achtergelaten.

Hij ziet de priester die zijn hoofd afwendt;

aan vuile handen is hij niet gewend.

Zijn keuze, meent hij, is best goed te praten.

 

Ook de Leviet is aan zijn stand verschuldigd

dat hij een onbezoedeld leven leidt.

Hij denkt: “Wie volgt, is vast tot hulp bereid.”

Dat klopt, een hart, gevuld met mededogen,

Samaritaans en levenslang miskend,

slaat voor de naaste, is op tijd present

en met ontferming innerlijk bewogen.

 

De wetgeleerde kijkt, maar zicht ontbreekt.

Hier staat de Meester die de passie preekt.

 

 

Janssien Deijl

Schepping

Schepping

 

 

Hij spreekt en splijt de duisternis,

de nacht vlucht, licht komt voor de dag,

de zee schikt in en gunt droog land

ontkiemend groen en zaaddragend gewas:

het leven dat ontloken is.

 

Hij strooit de sterren uit zijn hand,

maakt ruimte voor de zon en maan,

geeft vissen water, vogels lucht,

het vee en wild het vrije veld,

schept – kroonontwerp – zijn geestverwant:

 

de mens die draagt zijn evenbeeld.

Dat schepsel  wandelt vrij en blij

in Edens hof en noemt de naam

van plant en dier en spreekt zijn taal.

Speels geeft die zijn gedachten vorm,

een wonder, woord dat oren streelt.

 

De schepping ademt, God rust uit,

en wat Hij ziet, is mooi en goed.

Hemel en aarde schrijven nu

geschiedenis:  de mens ontaardt,

slikt wat de adder giftig spuit

en heeft het jammerlijk verbruid.

 

Maar alle schuld is, God zij dank, geboet;

de Schepper gaf zijn eigen vlees en bloed.

 

Ooit volgt, als Hij het paradijs ontsluit,

een nieuwe lente en een nieuw geluid.

 

 

Janssien Deijl

Opstanding

“Hij is hier niet, want hij is opgestaan.
Dat zei hij toch; u had het kunnen weten.
Bent u zijn woorden nu al weer vergeten?
Het is nu met zijn lijdenstijd gedaan.”

De engel Gods ontsluit het lege graf
dat uitzicht biedt op vol en eeuwig leven.
“Zeg, dood, waar is uw prikkel nu gebleven?
Gedolven is uw graf, uw tijd loopt af.”

De mensen die het voor zichzelf verknolden,
wordt liefdevol en kosteloos, na spijt,
schuld van vandaag en morgen kwijtgescholden.

Wie wil er nu niet worden vrijgepleit
en juichen dat zijn kwaad niet wordt vergolden?
Sta op en leef het paasfeest toegewijd.

Janssien Deijl

Verloren zonen

“Mag ik alvast mijn deel,

het geld waarop ik recht heb, vader?”

De jongste zoon verklaart zich nauwelijks nader,

hij ziet zijn keuze niet als immoreel.

 

De wijde wereld wacht.

Het fuiven kan beginnen;

de buit is lekker binnen.

Het lieve leven lacht.

 

Totdat zijn levenslot

zich keert: versnoept zijn laatste oortje.

En hongersnood, een karig tussendoortje,

maakt dat hij nu de hond vindt in de pot.

 

Berouwvol komt hij thuis.

Daar wachten open armen

van vader, vol erbarmen,

en hemels feestgedruis.

 

De oudste zoon briest boos:

“Verdiende juist ik niet een feestje?

Ik leefde volgens huisje, boompje, beestje.

Die zoon van u gedroeg zich nutteloos.

En u vermoedt niet half

hoe hij straks in zijn nieuwe kleren

weer al te gretig op uw zak zal teren.

Hij heeft geen recht op dat gemeste kalf.”

 

Dan spreekt zijn vader zacht:

“Door schande en door schade

leert men het woord genade,

en leven na de nacht.”

 

Janssien Deijl