Uittocht

Bloedstollend is de nacht waarin de tranen vloeien

voor wie wordt omgebracht.

De engel is beslist de doodsklokken gaan luiden;

de oudste wordt gewist.

 

Egyptes jammerklacht bevrijdt de slaaf van boeien

en farao van macht.

Het brood is ongegist en bitter zijn de kruiden

heel  haastig opgedist.

 

De staf vast in de hand, met gordel en sandalen

richting beloofde land.

De Rietzee in het zicht: splijtzwam en sterk obstakel.

Maar Mozes krijgt groen licht.

 

Het teken aan de wand zal nu het lot bepalen

van stad en ommeland.

De vijand raakt ontwricht; de zee blijkt een debacle:

een goddelijk gericht.

 

Nu sluiten zich de rijen. God trekt zijn eigen plan

dat leidt naar Kanaän.

Gebondenen  zijn vrijen. Het paasfeest is ophanden

voor Jan en alleman.

 

Janssien Deijl

Een kind is ons geboren

Door de geslachten heen verwacht:

kind van het licht,

belofte voor de toekomst,

geboren in een vreugdevolle nacht.

 

De hemel opent zich en straalt

als engelen

luidkeels hun schepper prijzen.

En herders worden op goed nieuws onthaald:

 

Ziedaar de redder in de nood,

in Davids stad,

van koninklijken bloede.

Hij is het levende genadebrood.

 

Zijn tegenstander legt het af.

Hij weet het wel:

Het spel  is uitgespeeld;

de dood staat al met één been in het graf.

 

Janssien Deijl

Ave Maria

Mijn naam is Gabriël. Ik dien de Heer

die jou met zijn genade zal omgeven;

een zoon wordt in jouw moederschoot geweven:

vrucht van de Geest, niet van geslachtsverkeer.

 

Hij zal als koning zitten op de troon,

tot redding van wie blind is en verloren.

Uit jou, Maria, wordt het Licht geboren.

Het kiest de weg die leidt van kruis naar kroon.

 

De engel  gaat Maria nu verlaten.

De hemel heeft de aarde aangeraakt

en haar een blijde boodschap nagelaten.

 

Ontroerd door wat haar is bekendgemaakt,

dringt tot haar door dat afzien niet zal baten.

Dan prijst zij Hem die trouw over haar waakt.

 

Janssien Deijl

Mozes

Drie maanden jong,
en wat hem staat te wachten,
weet hij nog niet.
Hij sluimert in het riet:
prins in de dop.
Straks zal hij overnachten

bij farao’s kind
dat hem wil adopteren.
Als moederlief
haar zoon, haar hartendief
gevoed heeft, mag
hij aan het hof verkeren:

hol van de leeuw.
Hij draagt er onverschrokken
zijn naam die luidt:
ik, prinses, heb hem uit
het water van
Egyptes Nijl getrokken.

Vijf vrouwen aan
de wieg van zijn jong leven
zijn redders in
de Koninklijke zin:
door liefde en
barmhartigheid gedreven.

Janssien Deijl

David en Goliat

Hij is wel wat gewend, dat herdersjong

dat leeuw en beer zag

azen op zijn schapen.

Met stok en slinger als ultieme wapen

was het, Goddank, dat hij de dans ontsprong.

 

Zijn volk wordt door de vijand uitgedaagd

om zich te meten

met de reuze-sterken,

zelfingenomen aan hun wereld werkend,

niet wetend dat hun trots wordt weggevaagd.

 

De jongen draagt met moed zijn steentje bij

en zal de steen des

aanstoots doen verdwijnen.

Hij weet: “Mijn schild beschermt mij en de mijnen;

de herder waakt, de redding is nabij.”

 

Dan wordt de daad ferm bij het woord gevoegd,

zonder genade;

naar de Filistijnen

met wie de spot drijft met vermeende kleinen.

Wie hoort, heeft niet op harde grond geploegd.

 

Janssien Deijl