Gedicht: Noach

Ik draag je op een ruime ark te bouwen,
want ik verdraag mijn evenbeeld niet meer;
ontaard, verworden in mijn tegenbeeld.
Zijn recht op leven is nu wel verspeeld.
De wereld moet – het zal mij niet berouwen –
met man en muis geheel ten onder gaan.

Ik draag je op jouw vlees en bloed te redden,
want slecht gedrag is niet je metgezel.
Met jou sluit ik een eindeloos verbond:
een nieuwe aarde met een vaste grond,
een nieuwe mens, veel dieren, plantenbedden.
Zij zullen vruchtbaar in het leven staan.

Ik draag je op mijn schepselen, de dieren,
te redden van een onverbiddelijk eind,
en twee aan twee, vanwege nageslacht,
te bergen in jouw hoog zeewaardig jacht:
de leeuw, het lam, twee meeuwen en twee mieren.
Ik sluit de deur; de regen komt er aan.

God laat zijn water veertig dagen stromen
over zijn akker, en zijn boosheid spoelt
het onrecht weg. De aarde, leeg, valt droog.
Hij kleurt het teken van de regenboog
dat zijn verbond fraai aan het licht laat komen:
een nieuw begin, een eeuwigheid te gaan.

 

Janssien Deijl